Ieder uur van mijmering over je goedheid, Zo
vanzelfsprekend grondeloos, Smelt ik weg in gebeden naar jou.
Zo laat ben ik gekomen Naar de tederheid van je
blik, En van zo ver naar je uitgestrekte handen, Stilletjes, doorheen
ruimte en tijd.
Ik had in mij zoveel weerbarstig roest Dat uit
mij wegvrat, met gulzige tanden, Het vertrouwen.
Ik was zo loom, ik was zo moe, Ik was van
wantrouwen zo oud, Ik was zo loom, ik was zo moe Van het dwaalspoor van al
mijn passen.
Zo weinig verdiende ik de wondere vreugde Van
je voeten die mijn weg verlichten, Dat ik er nog van sidder, in tranen
haast, En voortaan nederig blijf, nabij zoveel geluk.
Emile Verhaeren, Les Heures Claires,
1896. Vertaald door Julien De Mey.
|