Maar in Vlaanderen ben ik geboren, waar de
nevelen domen, In een klein dorp, waar achter de beteerde muren, Onder
stormende luchten, geladen met as van de rokende vuren, Nog arme, maar
koppige varenslui wonen.
Mijn jeugd heeft ze gekend, helaas maar al te
goed: De donkere moerassen, de sombere bossen en naakte velden, Grijze
november die slierten van regen komt melden, Zwart-ebben dageraden en avonden
van roet.
Aldoor woelde in mijn geest de geweldige
Schelde! Hoe was ik gelukkig en blij, en toch vol vrees die mij kwelde Bij
winter, wanneer de sterren glinsterden in de schollen, Krakende bergen die
naar onheilszeeën rollen.
De masten die des zomers van de verre einders
naderen En aan wier toppen kleurige wimpels waaien, Zij trilden minder als
het kloppen in mijn aderen, Een brand, die voor de strijd of voor mijn lot
weer op wil laaien.
De zwervende nevels en het
wolkengeweld Hielden mij sterk in hun grepen gekneld, En mijn ganse wezen
is zich zó gaan ontvouwen Dat ik vurig mocht leven bij hun drukte en hun
grauwen.
O gouden landen met uw stralende
luister, Mogen uw bossen, uw dalen, uw vlakten en stranden Nog mijn dromen
bekoren, mijn zinnen ontbranden… Naar mijn liefde voor Vlaanderen heeft mijn
hart steeds Geluisterd.
Emile Verhaeren, Les Plaines,
1911. Vertaald door René Buckinx.
|