De Veerman
De veerman, met de riemen in zijn
handen Geklemd, worstelt al lange tijd Tegen de stroom op, een riet
tussen De tanden.
Maar zij, helaas, die hem van de over-oever
riep Over de golven, aan de voet der dijken - Zag hij steeds verder,
vager in de mist Geworden, langzaam, langzaam van hem Wijken.
De vensters van de huizen der rivier en De
wijzerplaat des torens in het dorp Zien hem hardnekkig vechten met zijn
vlak Gebogen lichaam en zijn wilde spieren, Als koorden strak.
Dan, plotseling breekt een riem in twee; De
stroom grijpt hem en sleurt hem mee
Tartend naar zee.
En zij, daarginds, die in de mist helaas En
in de wind vergeefs hem aanriep, schijnt Een handenwringende, nu door het
waas Der scheemring hij, steeds minderend verdwijnt.
De veerman, met zijn ene riem nog over, Buigt
zich nog feller in ’t gevecht voorover, Totdat zijn lichaam, dat de stroming
tart Kraakt… en de koorts jaagt in zijn hart.
Dan, met één slag, breekt hem het roer
kapot, De stroom, die grijnst, versleept het als een vod.
De vensters van de huizen aan de kant Staren
met de ogen, van ontzetting groot, En rood en koortsig van de
zonnebrand Over het water… en de wijzerplaat Des torens, die een oude
vrouw gelijkt Gehurkt aan de oever, lijkt verbleekt en kijkt Neer op die
gek, die onverveerd De storm, de tegenstand en ’t
lot Trotseert.
Maar zij, daarginds, die door de neevlen
riep, Schreeuwt naar hem, schreeuwt, het hoofd gerekt En heel haar wezen
naar ’t onbekende Smekende uitgestrekt.
De veerman, als van staal, geplant Recht in
zijn boot en de doodsbleke wind - Met slechts één riem in zijn wanhoop’ge
hand - Kastijdt de golven, bijt de stroom, verslindt, Vreet zich in ’t
water vast, zijn blikken hard Over de vlakten zendend, waar die stem Kreet
jamm’rend in het koud heelal naar hem.
De laatste riem… de laatste hulp… breekt
af De stroom verliest hem als een nutloos kaf Naar zee.
De veerman - en zijn armen vallen neer
- Knakt machtloos samen op de ruige bank; Zijn lenden zijn als brekend,
lijk een veer Die sprong - totdat de boot plots schokt aan de oever, waar,
in ’t riet… het water klokt. De veerman, omziend, wat zijn strijd mocht
baten, merkt dat de boot de wal niet heeft verlaten.
De vensters van de huizen aan de oever Zien
spottend neer. De toren heft zich stroever En merkt de onmacht van zijn
handen - Maar hij, de veerman, starend stil en stom Houdt koppig nog - en
God weet slechts waarom en tot welk doel - het riet tussen zijn
tanden…
Emile Verhaeren, Les Villages
Illusoires, 1895. Vertaald door Martien Beversluis.
|