De Schelde
En deze is bleek en licht, bewust en breed van borst en in
haar lenige greep hutselt zij zon en vorst. En die heeft uitgestald tussen
haar sombre zomen een tuin, waarin de maan kan sprankelen of dromen - Of
ginds weer spoedt zich één door de eenzame contrée, alsof hij hunkert naar
de koele mond der zee; waar die weer met haar schijn de nevelen, die bleken
plots komt doorbreken en een Walhalla beeldt van louter gloed en goud.
(Een wolk van geesten heeft dit oud trezoor omstouwd.) Bemanteld met de
roem komen zij langs gevaren ’t zij Oeral, Rijn of Nijl, de Oder of de
Loire. -
Goden en koningen en helden! Door de tijd met stem, gebaar
en daadstroom, hebt gij hen gewijd - Hun oevers zijn nog trots door U, en
hun paleizen komen in U weerkaatst nóg naar de wolken wijzen - Rivieren!
Krijgers zijn ’t! Nog uit de spiegeling wellen de wrede kronen op van burcht
en citadellen, wier brede muzen schijnen als een doodsgewaad - - Maar
die geen der waatren gaat en heeft zó in haar vloed verworsteld en verdroomd
het grootste en gruwbre saam destijds, en zo verheven zich aan het volk,
dat streefde en stormt weer zich gegeven, dan die door Vlaanderen stroomt.
Gij zijt zo zacht en ruig, al naar gij ’t wilt of weigert Noordwaarts
nog stromende, aan vale of groene randen - Gij! weg voor wind en licht of
tussen wilde zanden de plaats waar zwart de hengst van de orkaan opsteigert.
Of waar de winter rust op de verstomde schotsen of ’t licht des zomers
danst op ’t duizend-koppig klotsen der tintelende vloed, die zich alzijds
beijvert. -
…
O! in die jonge tijd, hoe heb ik u aanbeden te meer naar ik
’t verbod trotserend, u begleden heb, korte wijl gelijk een goed matroos
met riem en zeil - En zwierf langs uwe slecht bewaakte jonken, ideeën
dronken! En der gedachten stroom ge hebt ze mij geschonken. De
ruimten, eindeloos;der kimmen diepe droom, ’t vergeten van de tijd, zijn
welgetelde uren, bij ebbe en dure, gij gaaft het mij. Ik heb benomen
met mijn ogen de bloemen, die bewogen in ’t fonkelen van uw mijmerij -
Uw neevlen ros en woest waren het ijl gebied waar ’t hijgende verdriet
zich schuilplaats zocht, een glorie-rijke fase. Uw golven zweepten op de
ritmen van mijn lied mijn bloed bracht gij tot kracht, mijn ziel tot haar
extase.
Uw storm en windgeweld, uw stroming deed verbazen mijn
zacht, ontvanklijk hart, gij gingt door mij - gij hebt mij hard gemaakt, als
staal gesmeed, gestoerd - mijn wezen is het uwe en mijn mond zingt u! De
ontroering welt en wondt en heeft mijn keel omvingerd en als dichtgesnoerd.
…
O Schelde! wilde en schone Schelde! ’t In mij verzonken
zacht smeulend vuur der jeugd, fel of geslonken deedt gij ontvonken -
Geschonken zij mij, breidt de Dood zijn poort, dat in uw grond, dat
aan uw boord ik sluimren mag en zelfs gesmoord mijn hart uw bonzend
woord nog hoort.
..............
Ik ken uw glorie, Schelde - fel en klaar toen de Wolvin eens
der Romeinse schaar in ’t hart der wereld zich zo wreed met felle kaak
vastbeet.
En in de vlakte die uw stroom beschermde slechts slijk en
regen, wind en sneeuw, die zwermde te brijzlen kreeg; uit verre streken
vrije soldaten zwierden aan om u te wreken - die uit hun boten, met de
spies, het teken van mannenmoed neerplantten in uw flanken.
Een dichte nevel woog op uw historie. Gent, Brugge, Ieper,
straalden in hun glorie. Maar naar uw kracht, Antwerpen, rees en zwelde,
rees ook de roem, zong ook de naam der Schelde.
Gij zijt de stroom aan wiens voorname kaden bankier en
koopman, trots en weeldrig woont; de sier van ’t Noorden, breed gekoepeld,
troont… wier goudblazoen in ’t gele water baadde.
Men schiep uw toren, wiens brommende klokken hun klanken op
de luchten lieten kabbelen en lokken. Hij rijst, hij zingt, uit alle leven
daagt hij op, kaarsrecht, pal als een kreet, rein als een maagd. Uw
schepen rijk, van rogge en tarwe zwaar, drijvende zolders van vergulde
weelde, die varen schaduw-bleek of zonneklaar - voeden de aarde met het
brood van deze beemden. Het linnen en de hennep, die men braakt en spint
zwingelt en hekelt, in uw huizen, steden, werden het zeil, waarop de
schepen gleden naar Oost en West, hol bollend op de wind. De opvoedster
zijt gij, Schelde, onderwijzend, uw zonen hier, als zeeman of als boer;
lomp, maar geweldig, ruig maar sterk, loom maar oprijzend in ’t
avontuur, met een gestaald bravour!
En grootser wies uw stad, uw Hansa’s gaarden in reuzen
ketels, ’t goud en gistend graan en won t Venetië af in roem, en zij
voortaan woog in haar holle schaal de schatten dezer aarde.
Uw trots zat hoog, supreem te steigerende paarde. Toen plots
Terwijl haar toren zong en ’t zeehavengeklots klonk tot in ’t veld
over de daken, heen tot op de drempels… stónd dwaas en trots Filips
van Spanjes schaduw ver al opgesteld.
…
O Schelde! van welk breed ópgaan ten Oceaan zijn uwe
golven weergekomen, toen op uw kalme waatren, licht van dromen, een
storm zich wierp, woest en verwoed van bloed?
De zegenrijke tijd verliet uw oever en uw verwachtingen, zij
dreven stom als brede boten, zonder roer alom de een na de ander
doellozer en droever. Een dodelijke avond heeft uw stroom bezocht - En
langs de havens, heersend op uw landen kettingen spanden. Onteerd heeft
men u en verkocht. O woestenij! O bitter-golvend wee toen geen groot
zeil tot heil kloek uitgegaan op mondings-goud-beglansde baan
meer zwenkte af naar zee.
Helaas! hoe moest gij lang uw slavernij verduren - eer dat
een kreet weer ’t volk van Vlaandren aan zou vuren, - zo ongenaakbaar eens -
te worstelen voor zijn leven.
Schelde! gij waart niet meer dan een gevangen bende van
waatren, roepende aan de oevers der ellende waarop (naar ’t veil verdrag)
koningen handel dreven. Tot na ’t signaal der opstand, als bezeten de
haat zich weer verhief en zwaarder klonk de keten die gij al zuchtend
droegt… maar dan - de jaren gingen langs en nieuwe wéér - een màn,
Napoleon! zijn leven het uwe in roem en droefenis vermengde en voort
deed stuwen.
En uw hovaardig gaan vormde naar ’t zijne tot één grootse
samenhang op ’t kronkelen van het lot. Toen - zoals vroeger - werd gij de
onverstoorde; uw steile stenen bekkens schoorden tussen hun boorden
en prangden weer gans de winst, behaalde en de verlangde van wat de
verre zee en de aarde toebehoorde. En weer op uw fluwelen mantel van
water vonkten de juwelen. - Vanaf het boegbeeld van uw welbestuurde boten
blies, met haar schubbige borst, weer de godin fier uw fameuze faam de
kinkhoorn in der waarlijk groten.
O Schelde! Schelde! Gij zijt het klaar gebaar van gans
dit land, tot waar Straalt de Oneindigheid - gij zijt er grijpend naar -
Vlaandrens rivieren en kanalen al, ontwaar! zij einden als de aadren, eens
verward, in uw groot hart. Gij zijt de rijke helper, die gemeenzaam
deelde dit nors-hartstochtelijk volk van uwe kracht, naar het zijn
aandeel wil aan werelds glans en weelde.
Uw welig oeverbed, uw diepgang, fel en zacht zijn spiegel
van dit volk, zijn kinderen, zijn ras, hardnekkig, taai en fier, als het
door tijden was. - En heel zijn droefnis, zijn wilskracht en verlangen
zijn in uw aangezicht van zwijgzaamheid gevangen.
Tragische hemelen, verrukte en eendre heemlen. Schelde bij
winter… zomer… herfst… Uw weemlen ’t is alles weerglans van ons wisselende
wezen. Verwinnend komt ge ons moed, verslagen, vrijheid geven. En altijd
en na deze verrezen weer de vertrapten, zuchtend maar genezen om in
uw kracht te leven, wéér te leven.
Emile Verhaeren, Les Héros, 1908. Vertaald door
Martien Beversluis
|