Biografie Emile Verhaeren
Emile Verhaeren (1855-1916)
Emile Verhaeren wordt op 21 mei 1855 te Sint-Amands geboren. Als
zoon van een welstellende handelaarsfamilie, behoort hij tot de burgerij van het
Scheldedorp. Niettegenstaande de voertaal in het gezin het Frans is, spreekt de
jonge Verhaeren het dorpsdialect met zijn klasgenoten van de dorpsschool en de
inwoners van Sint-Amands.
Op elfjarige leeftijd wordt Verhaeren op internaat gestuurd. Hij
doorloopt zijn middelbare studies aan het befaamde Sint-Barbaracollege te Gent.
Ook Georges Rodenbach, de latere auteur vanBruges, la morte, loopt er
school. De strenge Jezuïetenopleiding zorgt evenwel voor de volledige
verfransing van de Scheldezoon.
Na zijn middelbare studies gaat Verhaeren rechten studeren aan de Leuvense
Universiteit. Hij leidt er een studentikoos leven. Hij neemt deel aan diverse
literaire activiteiten, publiceert zijn eerste pennenvruchten in verscheidene
studentenbladen en komt in contact met gelijkgezinde studenten - de latere
medewerkers van het revolutionaire tijdschrift La Jeune Belgique
. Gepromoveerd tot doctor in de rechten, loopt Verhaeren van 1881 tot
1884 stage bij Edmond Picard (1836-1924), een gerenommeerd Brusselse
strafpleiter, wiens literaire en politieke activiteiten hem tot spilfiguur van de
avant-garde in de jaren 1880 tot 1890 maken. In diens wekelijks Salon komt
Verhaeren in contact met schrijvers en kunstenaars. Het verlangen om dichter te
worden is groot. Na slechts twee processen te hebben bepleit, hangt hij zijn
toga aan de haak en besluit zijn leven aan de kunst en de literatuur te
wijden.
Vanaf dan werpt Verhaeren zich op als een hartstochtelijk kunst- en
literatuurcriticus. Hij werkt mee aan verschillende Belgische tijdschriften,
wordt redacteur bij La Jeune Belgique en L’Art Moderne en levert verscheidene
bijdragen aan buitenlandse tijdschriften. Algauw groeit Verhaeren uit tot de
spilfiguur en spreekbuis van het artistieke en literaire reveil aan het einde
van de 19de eeuw. Met zijn baanbrekende artikels brengt de
visionair Verhaeren jonge veelbelovende kunstenaars - waaronder James Ensor -
onder de aandacht van het publiek.
Terwijl zijn literaire en kunstkritische artikels zich in een snel tempo
opvolgen, publiceert Verhaeren in 1883 zijn eerste dichtbundel Les
Flamandes. Geïnspireerd door de doeken van grote
Vlaamse schilders als Jordaens, Teniers en Steen, beschrijft de jonge dichter op
een volkse wijze het Vlaamse land en zijn inwoners
uit zijn
herinneringen. De naturalistische inslag van het werk en de vaak provocerende,
sensuele en realistische schetsen van zijn geboortestreek hebben een enorm succes
in avant-garde kringen. In het katholiek landelijke milieu verwekt de bundel eveneens heel
wat ophef.
Ook Verhaerens tweede dichtbundel Les Moines (1886)
wordt niet met het verwachte enthousiasme onthaald. Deze tegenslagen, de
dood van zijn beide ouders in 1888 en zijn aanhoudende gezondheidsproblemen
leiden tot een morele crisis, die ook op zijn oeuvre haar weerslag heeft.
In deze periode verschijnen de dichtbundels Les Soirs (1888),
Les Débâcles (1888) en Les Flambeaux noirs (1891).
Maar in oktober 1889 - tijdens een bezoek aan zijn zus - ontmoet Verhaeren de
vijf jaar jongere Marthe Massin te Bornem. Deze getalenteerde Luikse
kunstenares geeft tekenles aan de kinderen van de graaf de Marnix de
Sainte-Aldegonde. Ze komt geregeld aan huis bij Verhaerens zus, wier man
rentmeester van de graaf is. De dichter is op slag verliefd. Het koppel trouwt
op 24 augustus 1891 en vestigt zich in Brussel. Hun geluk weerspiegelt zich in
de drie bundels liefdespoëzie die de dichter aan zijn vrouw wijdt: Les Heures
Claires (1896), Les Heures d’Après-midi (1905) en Les Heures du
Soir (1911).
Maar niet alleen in zijn huwelijksgeluk vindt Verhaeren
dichterlijke inspiratie. In de dichtbundels Les Campagnes Hallucinées (1893),
Les Villes Tentaculaires (1895), Les Villages Illusoires (1895) en zijn eerste
theaterstuk Les Aubes (1898) , trekt hij ten strijde tegen de
sociale ongelijkheid en de teloorgang van het platteland, wrange vruchten van de
Industriële Revolutie.
Op het keerpunt van zijn carrière - omstreeks 1898 - vestigt de dichter zich
voorgoed te Saint-Cloud nabij Parijs. De verhuizing komt zijn literaire
productiviteit en faam in Frankrijk en heel Europa ten goede. Tot het uitbreken
van de Eerste Wereldoorlog keert de dichter evenwel jaarlijks terug naar Le
Caillou-qui-Bique, zijn buitenverblijf in de buurt van Roisin aan de
Frans-Belgische grens.
Bij het aanbreken van de 20ste eeuw is de dichter wereldberoemd:
zijn oeuvre wordt vertaald, geciteerd en besproken. Zijn humanitair
expressionistisch werk getuigt van een vernieuwd geloof in de mens en zijn
triomfantelijke levenskracht. Verhaeren reist doorheen Europa - tot zelfs in
Sint-Petersburg en Moskou - , geeft talloze lezingen en wordt door koning Albert
I gepromoveerd tot poète national. In 1911 grijpt Verhaeren zelfs net
naast de Nobelprijs voor Literatuur, die wordt toegekend aan zijn vriend Maurice
Maeterlinck.
Maar in 1914 - op het toppunt van zijn roem in Duitsland - breekt de Eerste
Wereldoorlog uit. Verhaeren is ontredderd. Als strijdbare pacifist klaagt hij in
vlammende en schrijnende verzen de waanzin van de oorlog aan, publiceert
gedichten in anti-Duitse geschriften en geeft voordrachten. Zo ook op 26
november 1916 te Rouen. De volgende dag tracht de 61-jarige dichter nog voor de
stilstand van de rijtuigen aan boord te gaan van de trein naar Parijs. Hij
verliest het evenwicht, glijdt onder de trein … en overlijdt ter plaatste.

Verhaeren, een Vlaming ?
Geen auteur, zelfs geen
Nederlandstalige, heeft Vlaanderen met zoveel liefde als Verhaeren bezongen.
Niettegenstaande zijn vernieuwingsdrang op
artistiek vlak, was hij een kind van zijn tijd. Wie school liep, studeerde
in het Frans. Wie schreef, schreef in het Frans. En wie schrijver werd, had
nauwelijks een andere keuze dan te opteren voor het prestigieuze Frans.
Toch voelde Verhaeren zich Vlaming in hart en nieren (“et pourtant, je
suis le fils de cette race ”). Zijn oeuvre wordt getekend door een immense
liefde voor Vlaanderen, vanaf zijn debuutbundel Les Flamandes (1883) tot
de vijfdelige cyclus Toute la Flandre
(1904 - 1910). Maar Verhaeren moest ook ervaren dat zijn verzen en zijn
proza het Vlaamse volk niet bereikten. Pas met de oprichting van het
tijdschrift Van Nu & Straks (1893) kregen Vlaamse schrijvers de kans
in het Nederlands te schrijven. Voor Verhaeren was het echter te laat om nog
over te schakelen naar het Nederlands.
Maar deze sombere medaille heeft ook een lichtende keerzijde. De
Fransschrijvende Verhaeren heeft Vlaanderen op de Europese literaire kaart
gezet. Frans was immers de enige cultuurtaal waarin men heel Europa kon
bereiken.

Een sociale trilogie
Midden de 19de eeuw was België één van de meest
geïndustrialiseerde landen op het Europese continent. Maar in de jaren die
volgden op de Frans-Pruisische oorlog (1870) werd het economische en politieke
leven vertroebeld door een recessie en algemene depressie (1873-1896). Een
sociale bewogenheid maakte zich meester van intellectuelen, kunstenaars en
schrijvers. Zo ook van Verhaeren. In de dichtbundels Les Campagnes
Hallucinées (1893), Les Villes Tentaculaires (1895), Les Villages
Illusoires (1895) en zijn eerste theaterstuk Les Aubes (1898), trok
hij ten strijde tegen de sociale ongelijkheid en de teloorgang van het
platteland voortgekomen uit de Industriële Revolutie.
Aangeslagen en verontrust zag de dichter hoe het Vlaamse land werd
leeggezogen door de attractiviteit van de steden. De bejubelde schoonheid van
het platteland - zoals beschreven in zijn eerste dichtbundel Les
Flamandes - was verworden tot ellende en miserie. Toch geloofde hij
in de mogelijkheden van de grootstad, de industrialisatie en
de technische vernieuwingen. Door de technische vooruitgang zou de mens zijn
materiële zorgen kunnen neutraliseren en meer tijd kunnen vrij maken voor het
geestelijke levensavontuur en creativiteit. Verhaerens visie op de toenmalige sociale
problematiek en samenleving resulteerde evenwel niet in een ‘daad-’werkelijk
verzet.
Verhaerens ‘sociale trilogie’ kende niet alleen een
Europese weerklank bij zijn tijdgenoten, wegens zijn ideologische inslag. Het genoot eveneens
een enorm succes in het Rusland na de Oktoberrevolutie.

Verhaeren, Spilfiguur voor de literaire en artistieke avant garde
België beleefde aan het einde van de 19 de eeuw een culturele
renaissance die gekenmerkt werd door een veelheid aan artistieke en literaire
stromingen. Als dichter, kunstcriticus en medewerker van verscheidene
tijdschriften, onderhield Verhaeren professionele en vriendschappelijke
contacten met de letterkundigen, kunstenaars en uitgevers die de Fin-de-Siècle
Kunst en Literatuur haar innoverende vorm zouden geven.
Tot deze vriendenkring behoorden onder meer Verhaerens studiegenoot Georges
Rodenbach en de medewerkers van La Jeune Belgique waaronder
Camille Lemonnier, Maurice Maeterlinck, Georges
Eekhoud, Charles Van Lerberghe, Albert Giraud, André Fontainas, Iwan Gilkin en
Jules Destrée.
Hun letterkundig succes was mede te danken aan uitgevers als Edmond Deman.
Terwijl Verhaerens liefde voor Vlaanderen hem in vriendschappelijk contact
bracht met verscheidene Vlaamse schrijvers als Cyriel Buysse, Stijn Streuvels,
Karel Van de Woestijne, Pol De Mont en August Vermeylen, bracht zijn Europese
gerichtheid hem er toe relaties met talrijke schrijvers en dichters in het
buitenland te ontwikkelen. Zo onderhield de dichter in Nederland banden met
onder meer Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Albert Verwey en Jan
Greshoff.
Tijdens zijn vele uitstappen naar Parijs leerde hij de Franse symbolistische
intelligentsia als Stéphane Mallarmé, Jean Moréas, Gustave Kahn, Paul Adam,
Villiers de l’Isle-Adam, Paul Valéry en René Ghil kennen. In de lichtstad raakte
hij eveneens bevriend met André Gide, Stuart Meerill, Francis Vielé-Griffin,
Henri de Régnier, en Alfred Vallette, het hoofd van de uitgeverij Mercure de
France die de faam van Verhaeren in Frankrijk bestendigde.
Maar Verhaeren beperkte zich niet tot contacten met het Parijse intellectuele milieu.
Hij streefde ernaar zijn literaire opgang ook verder te zetten in andere landen.
Bij zijn bewonderaars treffen we naast Guillaume Apollinaire, Jules Romain en
Georges Heym. Ook Rainer Maria Rilke, de Oostenrijkse schrijver en essayist Stefan
Zweig en de futurist F.T. Marinetti. Tijdens zijn rondreis in Rusland in 1913
ontmoette Verhaeren onder andere de befaamde Russische dichter en filosoof
Valeri Brjoesov, de componist Nicolai Myaskovsky, de schilder Leonid Pasternak
en diens zoon Boris.
Naast literaire duizendpoot, was Verhaeren ook een graag geziene
kunstkenner die intieme vriendschappen onderhield met de meest progressieve
artiesten van dat ogenblik. Onder meer de kunstenaars van Le groupe des
XX - Willy Schlobach, Théo Van
Rysselberghe, Fernand Khnopff, James Ensor, Dario de Regoyos, Constantin
Meunier, Henry van de Velde, William Degouve de Nuncques, Georges Minne, Georges
Lemmen en Constant Montald - behoorden tot Verhaerens vriendenkring. Deze
kunstenaars wilden breken met de academische conventies en droomden ervan
de kunstwereld te doen herleven en van Brussel het centrum van de avant-garde te
maken. Daartoe organiseerden ze onder meer een jaarlijkse tentoonstelling van
eigen werk en werk van buitenlandse kunstenaars met dezelfde esthetische
opvattingen: Claude Monet, Pierre-Auguste Renoir, Paul Cézanne, Alfred Sisley,
Camille Pissarro, Vincent Van Gogh, Paul Gauguin, Henri Matisse, Georges Seurat,
Paul Signac, Maximilien Luce, Henri-Edmond Cross, Auguste Rodin, Henri de
Toulouse-Lautrec, Odillon Redon, Jan Toorop en James Mc Neil Whistler.
Overtuigd dat deze kunstenaars een verandering in de naar zijn
mening te academische en steriele kunstbeoefening tot stand konden brengen,
schreef Verhaeren lovende artikels over hun tentoonstellingen en hun
experimenten. Verhaerens kunstkritieken resulteerden later in
kunstenaarsmonografieën over Rembrandt (1904), Ensor (1908) en Rubens
(1910). |